Op Goede Vrijdag herdenken christenen de kruisiging en de dood van Jezus, waarbij Jezus zichzelf opgeofferd heeft ter verzoening van de zonden van de mensheid.
Het woord 'Goede' wijst erop dat dood van Jezus niet het einde betekende. Op Goede Vrijdag volgt, na de stilte en rouw van Stille Zaterdag, de ochtend van Pasen.
De Joodse schriftgeleerden, aangevoerd door Kajafas, beschuldigen Jezus van godslastering omdat hij zich zou hebben uitgegeven voor 'koning der Joden'.
Zij willen dat Jezus wordt gedood, maar mogen hem als Joden zelf niet ter dood brengen. Daarom leveren zij hem uit aan de Romeinse stadhouder Pilatus.
Pilatus zegt geen schuld te kunnen vinden in Jezus en laat de Joden kiezen tussen de vrijlating van Jezus of die van de gevreesde rover Barabas. De opgehitste menigte kiest voor Barabas.
Pilatus laat Jezus dan geselen en toont hem, getooid met doornenkroon en purperen kleed, aan de menigte die een dreigend 'Kruisig hem' aanheft.
Uiteindelijk geeft Pilatus toe: Jezus zal aan het kruis ter dood worden gebracht. Gelaten wast de Romein zijn handen, 'Ik ben onschuldig aan dit bloed'.
Jezus moet zelf zijn kruis dragen, in een lange weg naar Golgotha. Op Golgotha wordt Jezus, samen met twee moordenaars gekruisigd. Wanneer hij sterft wordt het donker en beeft de aarde.