Bij Romeinse cijfers gebruikt men letters als getallen:
De letters worden van hoog naar laag achter elkaar geplaatst.
Om de volgorde van de symbolen (van laag naar hoog) te onthouden bestaat het volgende ezelsbruggetje:
met dank aan Rob Kuijt
en de website over ezelsbruggetjes
Omdat vier dezelfde symbolen achter elkaar niet zo snel te tellen zijn in een oogopslag, zijn deze verkortingen ingevoerd:
MMIIII -> MMIV -> 2004
45 -> XXXXV -> XLV
MCM -> MDCCCC -> 1900
99 -> LXXXXVIIII -> XCIX
De V, L en D kunnen nooit voor een grotere waarde staan. Dus: na een V mag je alleen een of meer I's schrijven, na een L kunnen alleen X'en, een V en I's komen en na de D kunnen alleen C's, een L, X'en, een V en I's staan.
De V, L en D kunnen nooit meer dan eenmaal in een getal voorkomen.
De Romeinen kenden de nul niet. Ze konden makkelijk zonder nul. Wij hebben de nul nodig om in 606 duidelijk te maken dat de eerste 6 staat voor 600.
De Romeinen hadden aparte symbolen voor de duizendtallen, honderdtallen, tientallen en eenheden. DC is 600 en VI is 6. Samen DCVI. Geen verwarring mogelijk en geen nul nodig.